Onderstaand interview is in oktober 2008 gehouden door Hinke Nauta met Aaltje Bekius-Krol (1923-2013) en is overgenomen uit: Fan eigen hiem (Nij Bethanië). Een kopie ervan zit in het dorpsarchief van Minnertsga, maar eigenlijk hoort het ook op deze website te staan.

Aaltje Bekius-Krol (1923-2013)

Al enkele keren had ik zo eens nagedacht wie te vragen voor een interview. En al pratende hierover met een collega, kwam de naam van mevrouw Bekius boven drijven . . . zou zij haar levensverhaal aan mij willen vertellen?

Net alsof het zo had moeten zijn . . . de volgende dag zie ik mevrouw Bekius zitten in de hal, krulspelden in het haar, in gesprek met haar zus Elske . . . samen praten ze de tijd vol voordat haar bus komt. Mevrouw Bekius lacht me toe en ik voel me uitgenodigd om naast haat te gaan zitten en haar mijn vraag voor te leggen. Met een volmondig ‘ja’ is een afspraak gauw gemaakt.

Die dinsdagmiddag kom ik iets te laat. Foto’s maken bij nieuwe bewoners kun je gewoon niet snel afraffelen. Mevrouw Bekius zit op haar vaste plaats en heeft er eigenlijk geen voorstelling van wat haat te wachten staat. Na enige uitleg gaan we er samen uitgebreid voor zitten.

Aaltje Krol wordt geboren op 23 december 1923 in het ‘ketelhússie’ aan de Landhuisterwei onder St. Annaparochie als oudste dochter van Jochum Krol en Rikje de Vries. Vier jaar laten krijgt Aaltje er een zusje bij: Klaaske en na dertien jaar wordt er nog een zusje geboren die de naam Elske krijgt. Vader Jochum is boerenarbeider en dat brengt met zich mee dat er veel verhuisd moet worden. Op Allerheiligen (1 november) werd je ‘besteld’ voor weer een jaar en wist je dus dat er op Alde Maaie (12 mei) verhuisd kon worden. Vele vrouwen pakten hun spullen al niet eens meer uit. Mevrouw Bekius herinnert zich de drukte op de wegen op die 12e mei. Hooiwagen volgepakt met huisraad en spullen en steevast een linnenrak achterop gebonden.

Ketelhússie

Aaltje gaat als kleuter naar de Bewaarschool (wat wij de kleuterschool nu noemen), daarna naar de christelijke lagere school in Vrouwenparochie. De laatste jaren van haar schooltijd zat zij op de school in Nij Altoenae. Mevrouw Bekius vertel over de vele, op klompen gelopen kilometers waarbij ze onderweg andere klasgenoten meenam zodat ze met een grote groep uiteindelijk op school aankwamen. Met ondeugende ogen weet ze te vertellen dat de groep vaak ruzie zocht bij het langslopen van de Openbare school door een toch wel provocerend liedje te zingen. Steevast renden die kinderen achter hen aan en meestal ontkwamen ze door onderaan de dijk weg te rennen.

Als Aaltje dertien is, verlaat zij de school en gaat zij meteen aan het werk op het land. Ze had er zin in! In die tijd leerden de meisjes niet langer door. Zij werden vaak samen met hun vader ‘besteld’ bij de boer. Haar eerste boer was Gerrit Krol bij Nieuwebildtzijl en haar eerst karwei was bieten wieden met een koolhouwer. Aaltje geeft toe dat het niet altijd leuk werk was om te doen.

’s Winters is Aaltje bij haar moeder thuis en helpt zo nu en dan in een andere huishouding waar dat nodig is. Zij komt erachter dat het melken van de eigen twee geiten niet haar favoriete bezigheid is en daarom gaat zij op naailes, maar blijkt geen succes te zijn. Op de ‘famkesferiening’ en het bij ‘fraachleren’ zoekt zij haar ontspanning. En dan, we schrijven 1942 als Aaltje dan 19 jaar is. Dan ontmoet zij de 29-jarige Doeke Bekius uit Minnertsga. Met haar vriendin Geesje was Aaltje die Hemelvaartsdag op stap geweest en op de terugweg even flaneren op de Nieuwstad in Leeuwarden. Daar liep ook Doeke met een vriend. Zij raakten aan de praat en vervolgens liet Aaltje haar die dag thuisbrengen door Doeke en de verkering was een feit.

Pastoriepleats aan de Ferniawei rond 1950

 

Aaltje had nog van Minnertsga gehoord en er ging voor haar een nieuwe wereld open In hun 4-jarige verkeringstijd leerde zij Doeke kennen als een man met duidelijke motto’s: ‘spreken is zilver, zwijgen is goud’ en ‘wie goed doet, die goed ontmoet’. Hij is de enige zoon van Leendert Bekius en Trijntje Riemers Koopal die een loonbedrijf hebben in Minnertsga. Twee keer per week ontmoeten zij elkaar, op zondag en op woensdag. Eenmaal was er een kink in de kabel tijdens hun verkeringstijd. Aaltje ging naar een huwelijk op een woensdag zonder daar Doeke van op de hoogte te brengen. Later is zij op de fiets naar Minnertsga gegaan om het weer goed te maken tussen haar en Doeke.

De oorlogsjaren . . . Aaltje zal de arrestatie van haar vader nooit vergeten. Tezamen met alle mannen aan de Nieuwebildtdijk, in januari 1945 werd hij afgevoerd. Hij werd gevangengezet in Portnatal in Assen. Meerder keren ging ze met andere vrouwen op de fiets ernaartoe voor een kort bezoekje. Vader kreeg difterie en in april 1945 heeft ze haar vader gewoon meegenomen uit Assen achter op de fiets. Het mag een wonder heten dat ze veilig thuis zijn gekomen.

Op 19 juni 1947 wordt er getrouwd. Als herinneringssteuntje noemt ze dat net daarvoor de kerk en toren van Minnertsga was afgebrand. Het jonge stel trekt eerst bij de schoonouders van Aaltje in, daarna wonen ze een paar jaar in een woning naast de boerderij voordat ze de zelf in boerderij aan de Ferniawei gaan wonen. Aaltje en Doek krijgen vier kinderen: Leendert, Richtje, Jochem en Jan. Ook is ze de trotse stammoeder van tien kleinkinderen en zes achterkleinkinderen. De daaropvolgende jaren omschrijft mevrouw Bekius als hectisch en druk waar ze met volle teugen van genoten heeft. De zorg voor de kinderen, vele liters koffie en honderden broden klaargemaakt oor de werknemers van het loonbedrijf, bijna alle kleding zelf maken (de naailes was toch blijven hangen) en veel contacten in het dorp.

Veel plezier had ze ook met haar hulp, Klaasje de Groot (later getrouwd met Nammele Herder, kamer 45) en de buurvrouw Maartje Sijbesma-Elsinga (kamer 53). In de zomer van 1957 werd de vaart gedempt die door Minnertsga liep en dus ook bij hen voor de deur langs liep. Mevrouw Bekius herinnert zichzelf breiend in de zon, samen met Maartje, lettend op de kinderen die speelden in het zand.

Zoon Jochem blijft het langst bij zijn ouders wonen. Doeke en Aaltje besluiten in 1982 te verhuizen naar de Finne 13. Ze zullen daar maar een jaar wonen. Eerst komt mevrouw Bekius te dokteren met veel pijn in de maagstreek en word met de ambulance naar het ziekenhuis vervoerd. Het is wachten op opnamen in het ziekenhuis in Groningen voor ene hartoperatie, maar in tussentijd breidt ze een stel sokken voor de dokter. Na een paar maanden weg te zijn geweest, komt ze begin december 1983 thuis. Goed drie weken later viert ze haar verjaardag en op oudejaarsdag 1983 overlijdt haar man Doeke plotseling op weg naar de kerk. Hoe verwerk je zoiets? Mevrouw Bekius loopt vaak ’s middags het veld in gaat ergens zitten en laat haar gedachten de vrije loop. In juni 1984 trouwt Jochem met zijn Greetje en blijft in het ouderlijk huis wonen. In de daaropvolgende 23 jaar woont ze alleen aan de Finne. Mevrouw Bekius zegt daarvoer: “ik siet goed te plak”.  Ze bezoekt de Vrije Baptisten Kerk in Franeker iedere zondag samen met Gerrit en Tine Zuidema, mag graag lezen en breien voor de kinderen. Ze gaat naar de plaatselijke vrouwenvereniging en geregeld een dagje op stap met vriendin Pietje Haarsma, ook weduwe. Met de trein ergens naar toe en daar met een gehuurde fiets door de omgeving toeren.

Het wordt 2006 en mevrouw Bekius besluit om de volgende stap in haar leven te zetten . . . naar Nij Bethanië. Wanneer de molen eenmaal in werking is gesteld, kan ze al heel snel kamer 39 betrekken: “No joust dy hjir del”.

Het contact met de kinderen is uitstekend al is ze niet de persoon die veel bij hen op bezoek gaat. Ze mag graag woordzoekers oplossen, lezen, tv kijken en naar muziek luisteren. Er zijn ook nog genoeg medebewoners in Nij Bethanië waar ze mee kan praten, “Ik haw it hjir poerbêst”. Iedere zaterdag krijgt ze bezoek uit Minnertsga: Sjoerd voor het nodige dorpsnieuws en Gerrit die de luisterbandjes van de kerkdienst weer ophaalt. Ze geniet met volle teugen, ook al zijn er lichamelijke ongemakkelijkheden.

Wanneer mijn koffie koud is geworden, stel ik mijn laatste vraag: hoe zou u dit verhaal willen afsluiten? Na even nadenken, antwoordt ze: ‘Veel dingen in m’n leven heb ik zo voor ’t oog weg kunnen lachten. Heb zo ook wat tegenwicht kunnen geven op het wat zwaarmoedige karakter van Doeke. Stromen van gevoelens en emoties woedden soms van binnen en was niet altijd gemakkelijk. Vroeger had ik schooljuffrouw willen worden of me verder bekwamen in het declameren (voordragen), maar toch . . . ik had het niet anders willen doen. Mijn leven is goed geweest.

 

NB. Deze tekst is ten opzichte van de originele tekst op enkele punten aangepast.