Er zijn niet veel verhalen van vroeger van deze omvang bekend van ‘gewone’ Minnertsgaasters als het verhaal van Rinse Sipma. Of was Rinse Sipma niet een ‘gewone’ Minnertsgaaster? Onderstaand verhaal kwam ik tegen in ’t Kleine Krantsje van Leeuwarden van 10 januari 1976. Hoewel in het verhaal een trieste ondertoon zit, is het verhaal te mooi om het niet op Minnertsga vroeger te hebben. Hieronder het verhaal dat overgenomen is.

Een zwerver verdween spoorloos maar niemand die het merkt

We zullen ze nu nooit meer zien, maar in vroeger jaren zijn er heel wat geweest: zwervers zonder een eigen dak boven het hoofd, die dag in dag uit ronddoolden van dorp naar dorp, van plaats naar plaats. Het bezit van een sigarenkistje met wat mot[ten]ballen was voor het wettig gezag al voldoende om hen als venter, of – nog mooier – als koopman te kenmerken; daarzonder liepen ze een grote kans als landloper te worden opgepakt. De meesten bezaten kind noch kraai en konden op hun kop gaan staan, zonder dat er ook maar enig waardevols uit hun zakken viel. Al beschikten ze dan wel over wat luttele handelswaar, in feite bleven zij dank zij het medelijden van anderen bestaan – hier kregen ze een hap, daar een snap. Dat ongebonden zwerversleven bracht de meeste van deze vagebonden in een staat van vervuiling en verval; ze mochten dan een stukje zeep verkopen, zelf gebruiken deden ze het nooit.

Geboorteakte Rinse Sipma door vocht aangetast

SCHOON ALS DE BRAND
Toch is er, vijftig, zestig jaar geleden in Friesland een zwerver geweest, die in dit vrijbuitersvolkje een uiterst opvallende plaats innam, omdat hij zo schoon was als de brand. Ook hij leek alleen op de wereld te staan, ook hij zwierf rusteloos rond en trachtte niet wat negotie het feit te verbloemen, dat hij toch eigenlijk een bedelaar was. Maar terwijl anderen nog nooit van waswater hadden gehoord, waste hij zich als een kat: Rinse Sipma, álde Rinse, moet van alle omstippers in het Friese land de netste en de schoonste zijn geweest. De halve bevolking van de provincie heeft Rinse gekend, want hij “bereisde” een groot gebied en deed dat z’n hele leven, tien- en tientallen jaren lang. Daarbij had hij, in tegenstelling tot veel van zijn kornuiten, een uitstekende naam en was hij vooral bemind bij kinderen – hoe vaak zouden die, op afgelegen boerderijen, wel niet blij verrast opgesprongen zijn, wanneer Rinse weer in aantocht was? Bij velen was Rinse dan ook een uitgesproken welkome gast: ‘hij moat mar gau hwat iten ha’ zeiden de boerinnen, zodra hij het erf opkwam. Rinse Sipma was de zoon van een beste bouwboer uit Minnertsga. Hij werd geboren in 1851 en er is dus niemand meer, die uit eigen ervaring iets zinnigs zou kunnen zeggen van de jaren van zijn jeugd. Toch weten we er nog heel wat van. Op school kon hij niet goed meekomen. Het werk bij vader op de boerderij lukte daarna ook niet zo best. Rinse was een stille, misschien wat dromerige jongen; vader was een doordouwer. Zo konden die twee nogal eens botsen. “Jonkje, dou moatst er wol om tinke, as’t yn’t fjild biste, moat er hwat barre !” zei de ouwe, wanneer Rinse wat al te lang naast de ploeg stond ‘út to pusten’. Na een volgende schrobbering liep Rinse naar het dorp, passeerde de herberg en hoorde buiten, dat het er binnen gezellig was. Hij ging er in en werd door de gasten hartelijk begroet: “In brandewientsje Rinse?”

Rinse Sipma (1851-1928)

PLEZIERIGE SFEER
De stille jongen werd er getroffen door de plezierige sfeer – heel wat anders, dan thuis, waar wel hard gewerkt, maar nooit gelachen werd. “Dou bist let” verweet heit hem, toen hij die avond thuis kwam. “En nou rinst ek noch nei drank. Der hoechst net oan to bigjinnen, dan kinst er wol bliuwe”. Toen wist Rinse genoeg en ging zonder eten naar bed. De situatie van een gewapende vrede thuis duurde voort, tot er wéér eens onenigheid kwam. Toen klapte Rinse de schuurdeur dicht en ging er vandoor, voor eens en voor altijd. Op dat moment, en niemand zal weten, wanneer het precies is geweest, begon voor Rinse Sipma het zwerversbestaan, dat tot zijn dood zou duren. Hij begon maar te lopen, het gaf niets waarheen en toen de honger ging knagen, klopte hij zomaar ergens aan voor een stuk brood. Voor de nacht zocht hij een bult hooi in het land, hij groef zich er diep in en sliep als een marmot. De volgende dag kon hij zich bij een boer met enig schoonmaakwerk verdienstelijk maken. Honorarium: een gulden, waarvoor hij meteen wat lucifers kocht. En daarmee legaliseerde hij zijn nieuwe beroep – Rinse Sipma was nu venter, die zijn geringe handel geleidelijk uitbreidde, zodat het assortiment tenslotte lucifers, stukjes karnemelkzeep, schuurpapier, garen en band en misschien ook nog wel wat mot[ten]ballen omvatte.

LANDLOPER
Deze handelswaar en de paar losse grijpstuivers in z’n zak vormden voor Rinse het schild, waarachter hij zich veilig waande: nu kon hij, ergens bedelend om een bete brood niet zomaar als een landloper zonder vaste woon- en verblijfplaats en zonder inkomen worden opgepakt. Lang duurde het niet voor Rinse de adressen ontdekte, waar hij gerust mocht aankloppen en welkom was. Terwijl veel boeren niets te maken wilden hebben met rondzwervende venters, landlopers en ander kermisvolk, waren er anderen, die deze daklozen onmiddellijk accepteerden. Zij gaven ze eten en drinken, ze gaven ze een plaatsje op het stro of in het hooi – en dikwijls verlangden ze niet eens, dat die gasten er enige arbeid tegenover stelden. Zo bouwde Rinse in de loop der jaren een heel net van contactadressen op en had hij zijn vaste boeren, bij wie hij altijd welkom was en waar hij als een soort eregast werd onthaald. Vooral de kinderen op de afgelegen plaatsen zagen altijd vol verwachting naar de komst van Rinse uit: “Heit, men, der komt Rinse wer oan !” klonk het dan en nadat hij zich z’n eerste bakje thee goed had laten smaken, kon hij op ‘t bankje in de stal boeiend gaan vertellen over alles, wat hij in de afgelopen weken had beleefd. Ook met de boeren zelf en met de knechten kon Rinse zich gezellig onderhouden.

ZWERVEN
Verscheidene decennia moet Rinse Sipma zo hebben gezworven van boer tot boer, vooral in de greidhoek, maar misschien ook nog wel dieper de provincie in. Soms kraste hij na een dag alweer op, vaak bleef hij twee of drie dagen om dan maar weer verder te gaan. Het eten werd hem, driemaal daags, in schuur of bûthûs voorgezet, voor de nacht moest hij zelf maar een plekje zoeken in het hooi. Opmerkelijk was dan de volgende morgen de ijver, waarmee deze zwerver zich onder de pomp ging wassen – waar de andere landlopers niet aan dachten, was voor Rinse een vast ritueel. Opvallend was ook het kleine blikken doosje, dat Rinse bij zich droeg. Daar had hij niet alleen een sigaartje-voor-de-zon-dag in, maar ook een naald en draad – klein verstelwerk aan zijn kleren verzorgde Rinse zelf. En dan moet hij in Oosterend een wasvrouw hebben gehad, die zijn kleren waste; andere zwervers achtten het misschien niet nodig aan verschoningen te doen, Rinse deed dat wel. Maar wat hem helemaal stempelde tot een zwerver van een zeer bijzonder soort, was het gerucht, dat hij wel wat centen had. Sommigen vermoedden het al lang, anderen wisten het wel zeker – een enkeling had hem al eens betrapt op een moment, dat hij op een bankje in de stal allemaal geld zat te tellen en dat in verschillende ponkjes deed: centen in ‘t ene zakje, stuivers in ‘t andere. Misschien, dat hij in jonger jaren nog wel eens de handen uit de mouwen stak en bij de boeren ook nog wel eens een paar gulden verdiende, later veegde hij hoogstens op eigen initiatief een hoop mest in de goot of schilde hij een emmer aardappels op verzoek van de boerin. Overigens werd er geen enkele prestatie van Rinse verwacht. Terwijl de mannen melkten, hooiden of hekkelden, hing hun gast er maar een beetje bij, geduldig wachtend op de eerstvolgende versterking van de inwendige mens.

ACHTER DE PET
Het is niet bekend, of Rinse ooit een kerk bezocht, maar getuigen van toen weten zich wel te herinneren, dat hij “even achter de pet ging” voor hij aan z’n maaltje eten begon. “Ik heb o zo’n dorst, zou je ook wat te drinken hebben?” vroeg Rinse op een morgen om half twaalf aan een boerin. “Zeker wel” antwoordde die, “hier is een glas water”. “Nee” zei Rinse, “dat hoef ik niet, dat kan ik overal wel krijgen”. “Dat zal wel” antwoordde de boerin, “maar als je om tien uur komt krijg je koffie, en kom je om drie uur, dan krijg je thee”. Op een ander adres kreeg Rinse van de boerin een gekookt ei. “Maar dit is niet vers” zei hij, “kijk, je kan het zomaar doppen en zo hoort het niet. Is een ei vers, dan dopt het moeilijker”. “Ach, smoarige áld keardel” reageerde de vrouw, “jo sille noch ris in aei fan mij ha!” “Zo zijn onze manieren” zei Rinse vaak, terwijl hij zijn rechter hand op z’n linker schouder sloeg, maar wat hij daar precies mee bedoelde werd nooit duidelijk.

OMDAT JO HET BINNE
Kondigde Rinse, na alle genoten gastvrijheid aan, dat hij weer verder moest, dan probeerde hij eerst de boerin nog wel even wat aan te smeren, een busje Brasso, of een stukje klokzeep of een ander nuttig artikel voor de huishouding. Op de vraag hoeveel het kostte, kwam steevast hetzelfde antwoord: “Nou, omdat jo het binne: trije dûbbeltsjes”. En dat was dan altijd een dubbeltje duurder, dan het kostte bij de winkelman. Maar ja, Rinse was een goeie jongen en moest ook door de tijd en dus … De eerste brandewientsjes, die Rinse als jongen in de herberg in Minnertsga genoot, zouden niet tegelijkertijd de laatste zijn.

Hoewel Rinse beslist geen dronkenlap werd, zocht hij zo nu en dan in een herberg wat warmte en gezelligheid. En dan wou hij nog wel eens een borreltje naar binnenwippen en misschien ook wel een of twee teveel. En wat was in de goeie ouwe tijd het lot van een zwervende venter, die zich in alcoholische wolken voortbewoog ? Die werd vroeg of laat wel opgepakt en voor de rechter gebracht. Bij de eerste keer, dat Rinse het Leeuwarder Paleis van Justitie van binnen bekeek, werd hij ontslagen van rechtsvervolging, omdat er een fout in de dagvaarding zat. Daarna ging hij toch voor de bijl en kwam hij voor een paar maanden in de gevangenis in Hoorn terecht. De kornuiten, die hij daar trof, waren figuren als hij, kleine kooplui, kermisreizigers, venters, landlopers en zwervers. Hij voelde zich best thuis in dit bonte gezelschap vagebonden, die allen gekweld werden door eenzelfde zorg, hun eenzaamheid.

MOOIE VERHALEN
Mooie verhalen over beleefde avonturen, over bittere en zoete ervaringen, gingen er van mond tot mond en toen Rinse weer op vrije voeten kwam en op de boot naar Staveren [Stavoren] werd gezet, had hij heel wat te vertellen. Zo klopte hij weer bij z’n vaste adresjes aan en de mensen hingen aan z’n lippen. Maar wat Rinse niet kwijt wou, dat vertelde hij niet. Boeren, die wel eens wat van hun buurlui wilden weten, kregen dan ook nul op request; Rinse was wel goed, maar niet gek: hij roddelde nooit. Toen de ellende van de Eerste Wereldoorlog net voorbij was, was Rinse al een man van tegen de zeventig. Hij stond nu overal als álde Rinse te boek en deze oude man werd er niet beter op. De tijd, dat hij nog wel eens wou hardlopen met de arbeiders (aardigheidje van de boer: twee sigaren voor de winnaar, een sigaar voor de verliezer en Rinse verloor) was nu voorbij; het lopen werd er niet beter op, ook de ogen gingen hard achteruit, zodat hij tenslotte een bril met dubbeldikke glazen kreeg. En veel tanden had hij nu ook niet meer in de mond. Zo zullen de meeste mensen álde Rinse dan ook nog voor zich zien, wanneer ze terugdenken aan die tijd: een behendig mantsje in een oude jas en op klompjes, brilletje op, rode halsdoek om, wandelstok in de ene en een klein leren negotiekoffertje in de andere hand en maar pruimen, altijd maar pruimen. Het moet in de late zomer van ’27 zijn geweest, dat Rinse’s pad weer eens door de politie werd gekruist en wel bij Scharnegoutum, waar de marechaussees hem staande hielden, toen hij zich al of niet onder invloed van ouderdom of alcohol ietwat wankelend voortbewoog. Nu werd het een korte vrijheidsstraf, door te brengen in het Huis van Bewaring in Leeuwarden. Alde Rinse stalde z’n koffertje met negotie op een van z’n vaste adressen, op de boerderij Spoorzicht van Douwe Swierstra in Schillaard en kuierde toen naar  de stad om z’n straf uit te zitten.

WEER VRIJ
Op de dag van zijn invrijheidstelling, waarschijnlijk eind november, misschien begin december, wandelde álde Rinse, steunend op zijn stokje, via Jellum in de richting van Hijlaard. Nog voor dit dorp sloeg hij linksaf en liep door het land naar boer Sijbren Jellema. Daar keken ze verrast op, toen hij de stal binnenkwam, want het was al laat en geen tijd meer voor zwervers om nog door de nacht te gaan – zeker niet voor een man als Rinse met z’n zes en zeventig jaar, z’n gebrekkige lopen en slechte gezicht. Rinse ijsbeerde wat heen en weer, vertelde toen, dat hij nog verderop naar ‘t Westerhûs van boer Wiepke Schukken zou en vroeg of ze hem er niet even konden brengen. Maar daar viel niet aan te denken, nu ze aan ‘t melken waren; Rinse moest zich zelf maar redden. Wel waarschuwde Jellema nog, dat het “in raer reetsje” was naar ’t Westerhûs is en dat hij moest uitkijken waar hij liep.

FORTUTEARZDE
“Nou kinst noait tinke, hwa hjir krekt noch yn’t buthils wie” zei Sijbren Jellema een moment later tegen z’n vrouw. “Rinse ?” reageerde de boerin verrast, “nou, dy kin wol fortutearzje – sjochst him noch ?”  Nee, ze zagen hem niet meer. Boer Wiepke Schukken, een halve kilometer verder, een van de vaste adressen, bij wie álde Rinse en ook andere zwervers altijd warm welkom waren, verwachtte de oude zwerver niet. Rinse had z’n komst immers nog nooit aangekondigd; het was altijd een verrassing, wanneer hij binnenviel. Weken en weken gingen er voorbij en alleen bij de Swierstra’s in Schillaard vroegen ze zich met stijgende verbazing af waar Rinse bleef. Want daar stond, onaangeroerd in een kast in de keuken, nog altijd Rinse’s koffertje met z’n povere handelswaar. Intussen had Koning Thialf het wijde Friese land verstard; het was gaan vriezen en een dik pak sneeuw bedekte het land. De bakker van Jellum maakte nu maar van het slootje gebruik om met z’n korf met brood van boer Jellema naar boer Schukken te fietsen – over het ijs ging het beter dan over het bevroren modderpad erlangs. Toen de winter eindelijk week en de sneeuw begon te smelten konden de Schukkens weer eens gaan denken aan wat veldarbeid. Hein en Hendrik, zoons van boer Schukken, gingen skybetsen (koemest uit elkaar slaan) en vonden daarbij op een goede dag een wandelstok. “Nou moast hjir ris sjen” riep Hein, “dy keapman hat er wis genoch fan krigen en hjir syn stok mar deldondere”. Nóg gingen hun gedachten geen bepaalde richting uit – waarom zouden ze ook moeten denken aan álde Rinse, die soms twee keer in een maand kwam opdagen en zich ook wel in geen maanden liet zien ? Ook in de schaarse gesprekken tussen de Jellema’s en de Schukkens zal in al deze weken de naam van Rinse niet zijn genoemd – het laatste bezoek van de oude venter was wel wat vreemd geweest, maar daaraan werd op de boerderij van Jellema nu al lang niet meer gedacht.

Rechtsboven de oude landweg en sloot waar Rinse is gevonden

Op de eerste februari van 1928 liep Sip, het veertien jaar oude zusje van Hein en Hendrik, over het binnenpad naar haar oom Reinder Steenhuizen en tante Sip, die in Jellum woonden. Daar zou ze gaan eten en de middag doorbrengen.

IETS VREEMDS
Halverwege de plaats van boer Jellema zag Sip wat vreemds in de sloot. Net een oor, dat even boven het water uitstak – maar dat kon toch niet? Het meisje liep door, kwam bij omke en muoike, maar vertelde niets van de vreemde ervaring, die ze had gehad. Op de terugweg naar huis keek ze nog eens goed en toen, ja, toen meende ze toch beslist, dat het een oor moest zijn, een mensenoor. Huiverig vertelde het meisje thuis wat ze had gezien, maar boer Schukken, die net aan ‘t melken was, wou er niet van weten. “‘t Zal wel een dooie kat zijn geweest” meende hij. De volgende morgen, toen Sip maar bleef doorzeuren over dat oor, ging er bij boer Schukken plotseling een lichtje op. “Nou” zei hij, “je weet het nooit – álde Rinse is hier ook een hele tijd niet geweest”. Voor alle zekerheid is Wiepke er toen toch maar met z’n zoon Hein op afgegaan en ja hoor, toen ze even voorzichtig een hekkel in ‘t water brachten, zagen ze ‘t direct aan ‘t brilletje en de rode doek om de hals. “Och heden, ‘t is Rinse” zeiden ze, “álde Rinse is dea.”

“Hier is ‘t gebeurd” zegt Evert Oostra, de opvolger van Sijbren Jellema op de boerderij bij de plaats van het ongeluk

Maar hoe? Misdrijf? Een ongeluk? Bange vermoedens maakten zich van de mannen meester. Rinse had toch altijd geld bij zich? “Niet meer aankomen” beval vader Schukken en hij stuurde z’n zoon meteen op de fiets naar veldwachter Van der Plaats in Mantgum. Samen met de oude rijksveldwachter Hendrik Roersma was Gosse van der Plaats snel ter plaatse en met hulp van de Schukkens is de arme Rinse toen uit het water gehaald. En toen bleek al heel gauw, dat er van een misdrijf geen sprake was: de álde Rinse was gewoon zwaar van al het geld, dat hij bij zich had en, zo bedachten de omstanders plotseling met schrik, dat gewicht moest ook Rinse’s dood zijn geweest.

Toen hij in het donker van de nacht van het modderpad af te water raakte, heeft hij zich niet meer naar boven kunnen werken – zo moet de oude man, in alle eenzaamheid en vergeefs om hulp roepend, gruwelijk aan z’n eind gekomen zijn. En nu was voor Hein Schukken ook het raadsel opgelost van de koopmansstok, die hij hier gevonden had. En dan die bakker Boersma uit Jellum; terwijl Rinse hier lag, was hij er verscheidene malen overheen gefietst …

ETTELLIJKE WEKEN
De ook spoedig aanwezige dokter Mantel had weinig tijd nodig om te zien, dat de verdronkene ettelijke weken in het water had gelegen – dat klopte precies met de schokkende getuigenis van de Jellema’s, die zich herinnerden, dat ze álde Rinse voor het laatst op een late avond in november of december in de stal hadden gehad. Op een tafeltje in de schuur van ‘t Westerhes hebben de politiemannen al het geld uit de verschillende ponkjes van Rinse uitgeteld: centen, stuivers, dubbbeltjes, kwartjes, guldens, rijksdaalders, briefjes van tien. En toen ze alles optelden kwamen ze op het ongehoorde totaal van twaalf honderd acht en halve gulden – die arme, oude Rinse met z’n handeltje van niks had er nog warm bijgezeten ook! Nog dezelfde morgen maakte gemeenteambtenaar S. Goinga op het raadhuis in Mantgum de overlijdensacte op, op grond van de gegevens van de politiemannen Roersma en Van der Plaats. Die kenden, waarschijnlijk beroepshalve, de namen van de ouders van de oude Rinse. Uit de toevoegingen “overleden” voor vader Johannes en “verdere gegevens onbekend” voor moeder Antje Hiemstra, mogen we opmaken, dat Rinse zelf van het overlijden van zijn moeder nimmer weet heeft gehad – hij kon dat de politie ook niet vertellen, wanneer er proces verbaal tegen hem werd opgemaakt. Onverklaarbaar in de overlijdensakte is

Overlijdensakte

de vermelding, dat Rinse Sipma, “zes en zeventig jaar oud en venter van beroep” in Bozum woonde – geen mens ter wereld kan getuigen, dat Rinse daar ooit een eigen dak boven het hoofd heeft gehad. De Leeuwarder Courant maakte melding van het droeve gebeuren in het volgende bericht: “Beers, 1 februari. Hedenochtend is in de nabijheid van ons dorp in een sloot het lijk van een man gevonden, dat reeds in staat van ontbinding verkeerde. Onmiddellijk waren rijks- en gemeentepolitie ter plaatse. Voor zoover de toestand van het lijk dit toeliet, herkende men den persoon van R.S., een bejaarden en zwervenden koopman, die veel in deze streken reisde. Het laatst heeft men hem gezien einde november of in ‘t begin van december. Hoogstwaarschijnlijk is hij toen reeds verongelukt en is zijn lijk door ijs en sneeuw bedekt. Zijn koffertje moet nog staan bij een veehouder te Schillaard, bij wien hij wel overnachtte. Door tusschenkomst der bevoegde autoriteiten is het lijk heden gekist en wordt op de algemeene

Begraafplaats Schillaard (zomer 2017)

begraafplaats te Schillaard begraven”.

Nog uitvoeriger berichtte het Nieuwsblad van Friesland over Rinse’s tragische dood: “Tusschen het dorp Hijlaard en de plaats, bewoond door den heer W. Schukken, is in een verren staat van ontbinding gevonden het lijk van Rinse Sipma. Volgens den dokter had het wel 8 weken in de sloot gelegen. Rinse was een goede, oude man, overal bekend. Een belangrijk bedrag aan geld is bij hem gevonden en eveneens in zijn koffertje, dat hij bij den heer D. Swierstra te Mantgum had gedeponeerd. Volgens zeggen samen fl. 1200,00.

Ieder wist, dat Rinse geld had, zoodat eerst nogal aan misdaad werd gedacht, doch dat is nu buitengesloten. Rinse reisde een groot deel der provincie af met een koffertje in de eene en een stok in de andere hand. Vroeger had hij betere tijden gekend. Hij reisde bij zijn vaste klanten, meest boren, om een kleinigheid te verkopen en twee á drie nachten te blijven logee-ren. Vergoeding hiervoor wilde niemand van hem aannemen. Hij sliep gewoonlijk in schuur of koestal. Rinse was een groot vriend van kinderen. Dezen zagen belangstellend er naar uit, wanneer om de zes weken Rinse weer in aantocht was. Van vele van zijn reizen kon hij veel vertellen en hij vond dan een aandachtig gehoor.

FILMSTER
Op de film Frieslands Roem, welke tijdens de landbouwtentoonstelling werd vertoond, komt Rinse ook voor, staande bij een tentje bij de veemarkt zijn boterham te nuttigen. Vele betreuren het noodlottig einde van Rinse”.

Hette Ypma, de arbeider van Sijbren Jellema, heeft het stoffelijk overschot met een hooiwagen naar Mantgum gebracht, waar het ook werd gekist. De volgende dag is Rinse Sipma, in alle stilte, zonder ook maar één belangstellende, begraven op het begraafplaatsje van Schillaard, waar al eerder zwervende landlopers en

kermisreizigers een laatste rustplaats vonden. Maar zoals álde Rinse zich tijdens zijn leven al onderscheidde van alle andere vagebonden, die van de vrijheid leefden, zo bleef hij dat ook doen in de dood. Terwijl zijn makkers er aan de voet van de eenzame toren naamloos rusten, slaapt Rinse er onder een steen. “Rustplaats van Rinse Sipma” staat er op. “Geboren Minnertsga 30 oktober 1851, overleden Beers 1 februari 1928 – Rust Zacht”. Het heeft wat geld gekost, dit eenvoudige gedenkteken. Maar ‘t kon best bekostigd worden. Alde Rinse had geld genoeg.

VERDER ONDERZOEK
Verder onderzoek leerde ons, dat Rinse Sipma (Signalement: lang 1.62 ni., grote neus, grote mond, brede kin, ovaal aangezicht, bleke kleur, kaalhoofdig en- brildragend) in ’27 wegens openbare dronkenschap (derde herhaling) door het Kantongerecht te Sneek veroordeeld werd tot drie dagen hechtenis. Op de 23e november vervoegde hij zich bij het Huis van Bewaring te Leeuwarden niet een  geldbedrag op zak van twaalfhonderd en negen gulden en acht en een halve cent. Op de 26e november, een zaterdag, werd hij ontslagen en dat was ‘s morgens om acht uur. Daarna moet de oude baas te voet naar Jellum en vandaar naar boer Jellema zijn gegaan. Daar arriveerde hij tegen de avond, waarna hij op weg naar boer Schukken te water raakte en verdronk.

Tot zover het verhaal uit ’t Kleine Krantsje.

 

Op 24 november 1928 stond een bericht van oproeping in de Leeuwarder courant:

‘De curator over de onbeheerde nalatenschap van Rinse Sipma, in leven zwervend venter, gedomicilieerd te Bozum en ongehuwd, ouder- en kinderloos, overleden onder Beers den 10 februari 1928, roept diens erfgenamen op om onder overlegging van de bewijzen, hunne bloedverwantschap met den overledene kenbaar te maken, met opgave van hunne namen, voornamen, beroepen en woonplaatsen. De overledene is geboren te Minnertsga den 30 oktober 1851, uit het huwelijk van JOHANNES SIPMA en ANTJE HIEMSTRA, overleden respectievelijk te Minnertsga den 18 maart 1884 en te Tzummarum den 9 januari 1894. De curator voornoemd, R. Nijdam, notaris te Jorwerd.’

Het graf van Rinse tussen baarhokje en toren in Schillaard (zomer 2017)

In het Nieuwsblad van Friesland van 3 september 1929 stond een bericht met de kop: Een erfenis waarvoor geen erfgenamen zijn.

‘Den 10 Febr. 1928 werd onder Bozum in een sloot gevonden het lijk van den 67-jarigen zwervenden koopman Rinse Sipma. De oude man, die gewoon was van den eenen boer naar den anderen te zwerven, is vermoedelijk reeds in begin Dec. 1927 in een sneeuwstorm te water geraakt en verdronken, doch doordat hij geen vast tehuis had, heeft men hem niét genist. Pas nadat het ijs gesmolten was, werd het lijk gevonden. Op bet lijk werd een geldswaardig bedrag gevonden van f 1288. Oude Rinse, die eigenlijk onder Beers thuis behoorde, had geen nabestaanden, en op de oproepingen omtrent eventueele Jorwerd als curator benoemd, die — nadat de kosten van oproeping, begraving enz. waren betaald — de erfenis heeft gestort in de consignatiekas bij den Registratie-ontvanger te Leeuwarden. Waar oude Rinse niet was getrouwd, vervalt de erflating aan kinderen van zijn broer, die voor jaren naar Amerika vertrokken zijn. Mochten zich- uit die linie geen erfgenamen melden, dan zijn gerechtigd eventueele afstammelingen van neefs en nichten van vaders- en moeder-kant. Melden zich binnen drie jaar na ‘t overlijden in ‘t geheel geen erfgenamen aan, dan vervalt de erfenis aan den Slaat’.

 

 

Familie Sipma
Rinse kwam uit een gezin van vader en moeder en drie kinderen. Rinse was de jongste. Zijn oudste broer Klaas, is maar 28 jaar is geworden en de middelste, Sijbren (1845-1906) is in 1896 met zijn vrouw Tettje de Boer naar Noord Amerika geëmigreerd. Of zij ook kinderen hebben gekregen is mij niet bekend. Sijbren en Tettje liggen beide begraven op Pine Grove Cemetary in Whitsinsville, Massachusetts, USA.

Rinse groeide op in een boerengezin waarvan vader Johannes Klazes Sipma Doopsgezind was en moeder Antje Sijbrens Hiemstra, Nederland Hervormd. Vermoedelijk heeft het gezin op een boerderij in de Mieden gewoond, maar dat moet ik nog verder uitzoeken.

Filmfragment
Steeds meer oud filmmateriaal wordt op internet gepubliceerd. Ook de film waarover eerder in dit artikel wordt gesproken staat in zijn internet. De omschrijving in het artikel in welke situatie Rinse op de film staat, komt niet helemaal overeen met de film zelf. Rinse zit in een kraampje een mok koffie te drinken. Dit moet âlde Rinse, de zwervende Minnertsgeaster, zijn.

Bronnen:
’t Kleine Krantsje | 10 januari 1979
Nieuwsblad van Friesland, Hepkema’s courant 3 september 1929
Leeuwarder courant 24 november 1928
Frieslands Roem: Director: R. Kuperus | Production Country: The Netherlands | Year: 1925 | Production Company: Verenigde Nederlandse Bioscopen (Leeuwarden) | Film from the collection of EYE (Amsterdam) – https://www.youtube.com/watch?v=GRpi7EEhi94