Op 5 augustus 1790 wordt de dominee van Minnertsga, Dominicus van der Schaaf, door het college van Gedeputeerde Staten van Friesland ontslagen en voor drie jaar verbannen buiten Friesland. Wat heeft hij misdaan dat hij tot zo’n zware straf wordt veroordeeld, hoe is hij tot deze ‘misdaden’ gekomen en hoe hebben deze zijn leven beïnvloed? Douwe van der Schaaf is geboren op 29 juli 1753 in Franeker. Zijn vader, Adam Douwes van der Schaaf, is daar meester-timmerman. Zijn moeder is Reinske Wiebes. In 1769 staat Douwe ingeschreven als student in de godgeleerdheid aan de Franeker universiteit. Waarschijnlijk heeft hij in die tijd, zoals vrij gebruikelijk was, zijn naam gelatiniseerd tot Dominicus.

In 1790 wordt de dominee van Minnertsga, Dominicus van der Schaaf, uit zijn ambt gezet en in 1791 voor drie jaar verbannen buiten Friesland. Wie was deze dominee, wat heeft hij misdaan dat hij tot zo’n zware straf wordt veroordeeld, hoe is hij tot zijn ‘misdaden’ gekomen en hoe hebben deze zijn leven verder beïnvloed?

Douwe van der Schaaf is geboren op 29 juli 1753 in Franeker. Zijn vader, Adam Douwes van der Schaaf, is daar meester-timmerman. Zijn moeder is Reinske Wiebes. In 1769 staat Douwe ingeschreven als student in de godgeleerdheid aan de Franeker universiteit. Waarschijnlijk heeft hij in die tijd, zoals vrij gebruikelijk was, zijn naam gelatiniseerd tot Dominicus.

DOMINICUS’ IDEEËN
De 18e eeuw, de eeuw waarin Dominicus opgroeit, opgeleid wordt en werkzaam is als predikant, is de eeuw van de Verlichting. Kern hiervan is de gedachte dat vergroting van de kennis over de mens en de natuur zal leiden tot deugdzamer mensen en tot een betere samenleving. Deze gedachten vinden veel aanhang onder theologen. Zij stellen dat meer kennis over de natuur zal leiden tot deugdzamer mensen en tot meer begrip van God, de schepper van de natuur en de natuurwetten. Het zal ook leiden tot meer eerbied en dankbaarheid voor het Opperwezen.

De Verlichting heeft ook maatschappelijke en politieke componenten. Onderzoek naar de natuurlijke wetmatigheden op deze terreinen leidt tot de gedachten dat alle mensen gelijk zijn, dezelfde rechten hebben en alle godsdiensten gelijkwaardig zijn.

Deze verlichtingsideeën leven sterk bij de patriottenbeweging die streeft naar democratisering van de samenleving en zich afzet tegen stadhouder Willem V. De boeken van de verlichte wetenschappers worden in hun sociëteiten gelezen en bediscussieerd. Veel professoren en studenten, onder andere in de universiteitsstad Franeker, voelen zich tot deze nieuwe ideeën aangetrokken. Waarschijnlijk is Dominicus in zijn Franeker studententijd hiermee in aanraking gekomen. Hij wordt aanhanger van de Verlichting en patriot.

Op 19 november 1775 wordt Dominicus bevestigd als Nederduits Gereformeerd predikant in Minnertsga. Op 31 maart 1776 trouwt hij met Anna (Antje) Wopkens, afkomstig van Hollum op Ameland. Hun huwelijk blijft kinderloos.

Coert Lambert van Beyma

REVOLUTIE, VERBANNING EN TERUGKEER
In 1787 ontwikkelt zich in Nederland een revolutionaire situatie. De patriotten richten gewapende genootschappen, vrijkorpsen, op en komen in opstand tegen stadhouder Willem V. Deze wordt echter weer aan de macht geholpen door zijn zwager Frederik Willem II, de koning van Pruisen. Hij stuurt een leger van 26000 soldaten naar de Republiek. In Friesland concentreert de revolutiepoging zich in het patriottische bolwerk Franeker. Leider ervan is Coert Lambertus van Beyma.

Dominicus wordt omschreven als ‘ijverig patriot’. In Minnertsga zeggen ze: ‘Ús dûmny is patriot yn ieren en sinen’ (Onze dominee is patriot in hart en nieren). Hij is in het revolutiejaar 1787 gecommitteerde van het plaatselijke vrijkorps en heeft, tijdens de opmars van de troepen van de Pruisen en de stadhouder, ‘order gesteld op het leggen van Eijden op den weg’. Ook smeekt hij ‘op de Predikstoel’ in zijn gebed ‘dat het werk der Franekers mogte gezeegend worden’. Noch het leggen van eggen op de weg (‘eide’ is het Friese woord voor eg) noch het smeken tot God heeft mogen baten. De opstand wordt, ook in Franeker, neergeslagen. Zo’n 5000  patriotten, onder wie Van Beyma, vluchten naar Frankrijk. Dominicus blijft in Minnertsga.

Drie jaar later, in 1790, wordt hem een proces aangedaan door Gedeputeerde Staten van Friesland voor zijn gedrag in 1787. Dominicus wil zich hiertegen verdedigen maar vreest door de kosten ervan geruïneerd te worden. Dan komt hij op een lumineus idee. In het geheim begint hij een correspondentie met Van Beyma die in Frankrijk belast is met de verdeling van gelden voor levensonderhoud van de patriotten aldaar. In zijn brieven klaagt de dominee  dat hij slechts 500 gulden per jaar verdient en daarvan, gezien de stijgende kosten van levensonderhoud, niets kan overhouden, laat staan een proces kan voeren. Hij vraagt Van Beyma of hij op de lijst van ‘ongelukkige Nederlanders’ (lees: slachtoffers van 1787) geplaatst kan worden en ‘of er een Pensioen voor mij open zoude zijn waar van ik, zulks verkiezende, gebruik zoude kunnen maken’. Dominicus moet zich gerealiseerd hebben dat ontdekking van de brieven zijn kansen in het proces tot nul zouden reduceren. Hoe kun je je onschuld in 1787 bewijzen met behulp van geld van de leider van die opstand? Toch neemt hij het risico.

Dan wordt een van de brieven onderschept. De leden van Gedeputeerde Staten moeten gedacht hebben dat de dominee een pact met de duivel heeft gesloten. Waarschijnlijk zou zijn gedrag in 1787 al voldoende zijn geweest om hem te veroordelen maar samen met de brieven staat zijn schuld vast. GS bepalen op 5 augustus 1790 dat Dominicus gedurende drie jaar zijn ambt niet in Friesland mag uitoefenen. In het lidmatenboek van de kerk van Minnertga schrijft hij: ‘Hier nemen de aantekeningen van Dos. D. v.d. Schaaf, die, na hier het evangelium 14 jaaren en 8 ½ maand te hebben verkondigt, den herderstaf alhier neergelegd heeft den 6 Aug. 1790.’ Op 1 maart 1791 wordt het vonnis door het gerechtshof van Friesland bevestigd. Dominicus moet de provincie ‘binnen ’s daags Sonneschijn’, dus binnen een dag, verlaten. Het hof ‘condemneert denzelven meede in de kosten’.

Dominicus en Antje vertrekken naar Amsterdam, waar hij in maart 1791 wordt ingeschreven. Maar inkomsten zullen ze niet gehad hebben en geld moet er toch komen. Nu weet Dominicus heel goed dat er in Frankrijk geld aan patriotten wordt uitgedeeld. Daarom besluiten hij en Antje daarnaartoe te gaan. Daar krijgen ze inderdaad een uitkering: 1206 livres voor hem en 150 voor Antje, samen 1356 livres. Waar ze precies gewoond hebben is onbekend. Maar het zal waarschijnlijk in een van de steden in Noord-West-Frankrijk zijn geweest, waar de Franse regering de gevluchte patriotten gehuisvest had.

In februari 1795 veranderen de zaken grondig. De Franse revolutionairen veroveren dan de Republiek. Alle gevluchte patriotten keren terug, ook Dominicus en Antje. Op 14 mei staat hij weer op zijn oude preekstoel in Minnertsga. Hij preekt dan over psalm 124, die gaat over Gods verlossing van Israël uit de handen van de vijand. Hij roept op tot dankbaarheid aan God en de Fransen ‘nu onze kluisters, waar mede de thands vernederde dwingelanden ons voorheen geketend hielden, door de hulp van de edelmoedige en vrijheidminnende Franschen, als het middel in de hand der Voorzienigheid, verbroken zijn’. Later in dat jaar wordt deze preek uitgegeven onder de titel: ‘Nederlands verpligting tot dankbaarheid aan God voor de verlossing van de slavernij en uit de gevaaren, voorgesteld in eene Leerrede over Psalm CXXIV’.

De dominee die Dominicus had opgevolgd krijgt te horen dat hij binnen zes weken weg moet zijn. Dominicus wordt op 14 mei 1795 in ere hersteld als dominee van Minnertsga. In het lidmatenboek van de kerk staat dat hij ‘op eene willekeurige en wederregtelijke wijze door het Collegie der Gedeputeerde Staten, toenmaals het geweld in handen hebbende, van zijnen dienst ontzet was geworden’. Maar toch blijft hij maar kort in zijn eerste gemeente. Hij krijgt een beroep van de kerk van Limmen (NH) en doet daar op 25 november 1795 intrede. Hier is hij gebleven tot hij met  emeritaat gaat, op 1 oktober 1807.

DOMINICUS ALS SCHRIJVER, SPREKER EN DICHTER
Ds. Dominicus van der Schaaf werkt zijn ideeën uit in verschillende geschriften en lezingen, vaak in dichtvorm. In een groot aantal teksten en gedichten, uitgesproken voor verlichtingsgenootschappen en later uitgegeven, spreekt hij over de natuur die door God volmaakt geschapen is en over de mens die door bestudering ervan de natuur beter zal begrijpen, deugdzamer zal worden en meer eerbied voor de Schepper zal verwerven. Deze opvatting wordt fysicotheologie genoemd, de stroming die theologie en natuurwetenschap verzoent.

Op 13 augustus 1789 publiceert Dominicus ‘Gedachten by den morgenstond, in den zomer’. Hierin beschrijft hij op beeldende wijze een ochtend, vanaf het zingen van de vogels tot het moment dat de zon opgekomen is. Alleen al het kijken hiernaar leidt tot eerbied voor de Schepper: ‘Alles, ’t welk leeven ontvangen heeft, wekt onzen eerbied op voor dat onbegrypelyk Opperweezen’.

In 1797 wordt in het tijdschrift Vaderlandsche Letteroefeningen Dominicus’ gedicht ‘De Mensch’ gepubliceerd. Hierin roept hij de mens op tot meer deugdzaamheid om dichter bij zijn goddelijke bestemming te komen: ‘Streef langs ‘t pad der deugd naar boven, Uw doel zy steeds om Hem te looven, Die u ‘t verheven aanzyn gaf’.

Ds. Van der Schaaf wordt een veelgevraagd spreker in verlichtingsgenootschappen in Noord-Holland. In het jaar 1798 houdt hij een drietal lezingen voor het genootschap van Weesp (dat ten doel heeft ‘zich zelven en anderen te verlichten en te verbeteren’). Hij spreekt onder andere ‘Over het voordeelige van een deugdzaam gedrag, in vergelijking van het nadeelige van een ondeugend’. In 1819 spreekt hij in de Amsterdamse ‘verlichtingstempel’ Felix Meritis een ‘Dichtstuk ter verheerlijking van de schepper in de werken der natuur’ uit. In dit gedicht geeft hij tientallen voorbeelden hoe ingenieus de natuur in elkaar zit en hoe volmaakt God alles geschapen heeft. Neem bijvoorbeeld de kat die ongedierte vangt: ‘Wie gaf die beesten dat vermogen? Moet dat niet ’s Scheppers lof verhogen?’

In 1828 werkt hij deze gedachten verder uit in een spreekbeurt voor het Amstellands Nutsdepartement, getiteld ‘Verhandeling over het onderling verband waarin alle schepselen tot elkander staan en het openbaar nut, hetwelk de eene soort voor de andere verschaft’. Hierin zegt hij: ‘In de verhevene eenvoudigheid der natuur bespeuren wij overal eene kunsteloze en schier onmerkbare besturing der Scheppende Almagt’. 

In 1825 leest Dominicus het gedicht ‘De Eensgezindheid’  voor in de vergadering van het Departement Tot Nut van ’t Algemeen van Nieuwer Amstel. Terwijl hij in 1795 God dankte voor de hulp van de Fransen bij het verjagen van de stadhouder, bejubelt hij in dit gedicht de eendracht onder het volk en bedankt hij de helden van de slag bij Waterloo die daar in 1815 de Fransen versloegen: ‘Uwe eensgezindheid in den strijd, verjoeg de Fransche legerbenden, kon de overheersching krachtig wenden. Door u werd Nederland bevrijd’. Ook is hij teruggekomen op zijn patriottische afkeer van de Oranjes. In ‘De Eensgezindheid’ spreekt hij de hoop uit dat de band tussen koning Willem I, zoon van stadhouder Willem V, en het Nederlandse volk nooit verbroken zal worden: ‘Nooit breke de eensgezinde band, die Vorst en Volk thands houdt verbonden’.

Zijn laatste spreekbeurt houdt Dominicus in 1828 voor hetzelfde genootschap. Hij behandelt  het onderwerp ‘De voortreffelijkheid en bestemming van den mensch’ in dichtvorm: ‘Hij (= de mens) kan het goede en schoone aanschouwen en werking der natuur ontvouwen, tot roem des Scheppers groote magt’.

PREDIKANT IN LIMMEN EN EMERITAAT
Van 1795 tot 1807 is Dominicus predikant in Limmen. Hij maakt er de invasie van Britse en Russische troepen mee. Deze vallen in september 1799 Noord-Holland binnen om de Franse en Bataafse troepen te verslaan. Op 29 september is het onmogelijk diensten in de kerk te houden ‘wegens de plundering en verwoesting als wegens de swaare inkwartiering van trouppen die daar ingelegen hadden’. Op 6 oktober wordt het kerkgebouw opnieuw geplunderd. De Britten en Russen worden echter verslagen en moeten zich terugtrekken. Pas in 1804 kan de kerkgemeenschap weer in de herstelde kerk terecht ‘onder de bezielende leiding van de predikant Dominicus van der Schaaf’.

Universiteit van Franeker

Op 13 september 1807 neemt Dominicus afscheid van zijn gemeente en gaat met emeritaat. Dan verhuizen Antje en hij naar Ouderkerk aan de Amstel. Gedurende het laatste deel van zijn leven is Dominicus een bemiddeld man. Omdat hij zijn geld en bezittingen niet aan eigen kinderen kan nalaten, sticht hij bij testament van 16 september 1829 een drietal fondsen. Het geld hiervoor komt uit opbrengsten van landerijen te Castricum en Limmen. Eén van de fondsen is voor ‘jongelieden, uit den fatsoenlijken burgerstand, bij voorkeur uit Franeker’ voor hun studie in de godgeleerdheid aan het Athenæum in Franeker of aan een andere hogeschool. Het fonds bestaat nu nog steeds en schenkt elk jaar ten hoogste 250 euro aan maximaal vijf theologiestudenten. Deze hoeven niet meer uit Franeker of Fryslân te komen. Een ander fonds stelt geld beschikbaar voor weduwen van Hervormde predikanten in Minnertsga en Limmen. De kerkenraad van Minnertsga is er zeer dankbaar voor en de toenmalige dominee Outhuys wijdt er zelfs een gedicht aan: ‘Dat noem ik woeker doen met schat en aardsch vermogen, Waar op God nederblikt met welgevallige oogen.’

Dominicus overlijdt op 5 april 1831, 77 jaar oud. Zijn vrouw Antje is al eerder overleden.

CONCLUSIE
Ds. Dominicus van der Schaaf is gedurende zijn hele leven geen patriot maar wel een consequente verlichtingsaanhanger en fysicotheoloog gebleven. De veronderstelling dat bestudering van de schepping leidt tot grotere deugdzaamheid bij de mens en tot meer eerbied voor de Schepper heeft hij van zijn vroegst bekende uitgegeven tekst uit 1789 tot in zijn laatste gedicht uit 1828 uitgedragen.

Alleen op politiek gebied is hij van gedachten veranderd. In zijn jonge jaren verzet hij zich in woord, daad en gebed tegen de stadhouder en verwelkomt hij de hulp van God en de Fransen bij het verjagen van stadhouder Willem V. Op latere leeftijd dankt hij de helden van de slag bij Waterloo voor de bevrijding van ons land door het verslaan van diezelfde Fransen. Ook spreekt hij dan de hoop uit dat de band tussen koning Willem I en zijn volk nooit verbroken mag worden.

Ervan uitgaande dat het Opperwezen Zijn schepping volmaakt heeft gecreëerd, moeten we aannemen dat deze vergissing bij de dominee gelegen heeft.

NB: De vorige versie van dit artikel is geplaatst in november 2018. Die versie heeft door nader onderzoek een verbeterde versie opgeleverd die in maart 2020 hier is gepubliceerd.

Met dank aan Sjoerd Schaaf,

Twello, maart 2020

“Ik bin dizze mannen tsjinkaam doe’t ik in ferhael oan it skreaun wie oer myn foarheit Sjoerd Pieters Schaaf fan Froubuurt. Ik ha oer dizze nijskjirrige man in boekje skreaun (Sjoerd Pieters Schaaf, Een Friese patriot / In Fryske patriot) en in artikel. Dit lêste is publiseard in it historysk tiidskrift Fryslân (Een idealist op drift, mrt/april 2017). Yn myn speurtocht nei dizze foarheit kaem ik Ale Ales Bakker tsjin en doe’t ik ýnformaesje oer him sammele, kaem dûmny Van der Schaaf my temjitte. Dus oer Bakker en Van der Schaaf ha ik ek in artikel skreaun” aldus Sjoerd Schaaf.

 

28 september 2019: reactie van Jan A. Hendriks  op bovenstaand artikel

Momenteel onderzoek ik de geschiedenis van Hofstede Frieswijk in Kortenhoef, waarbij ik stuitte op Dominicus van der Schaaf. Bij deze enige info over Van der Schaaf, die van 1808 tot 1814 eigenaar van de hofstede is geweest. Op 11 oktober 1808 verkoopt Elbert Mooij aan hem de hofstede, waarvoor hij 3.000 gulden betaalde. Het onroerend goed werd als volgt omschreven: Een huis, stalling en koepel, zijnde huisnummer 69, met het erf en verdere getimmerte, bepotingen en beplantingen daarop staande, aan de oostzijde van de dijk. Belend ten zuiden Willem Ockhuijsen en ten noorden Harme Stoppelkamp.

Het land gelegen achter Harme Stoppelkamp heeft een vrije overweg van de dijk naar en van het land, mits het hoornvee aan touwen te leiden. Ten tijde van de aankoop woonde Van der Schaaf als rustend predikant in Nederhorst den Berg, een dorp naast Kortenhoef. Van der Schaaf gaf zijn pas verworven hofstede de naam Frieswijk en gezien zijn Friese afkomst is de keuze voor deze naam makkelijk te verklaren. De hofstede werd in de jaren 1840 afgebroken en bestaat als zodanig niet meer. Het stond aan de oostzijde van de huidige Kortenhoefsedijk, vlakbij – ten noorden – van de hervormde kerk.

 Op 22 maart 1814 verkoopt Van der Schaaf de hofstede en vertrekt vermoedelijk naar Ouderkerk aan den Amstel, waar hij 5 April 1831 komt te overlijden.

Het doet mij genoegen om deze informatie met u te delen.