17 04, 2016

Laatste Lelia stierf in Minnertsga

2016-04-17T11:52:01+00:0017 april 2016|0 Reacties

Familieleden en vrienden, waaronder ook mijn vader, stonden zaterdag 24 juni 1950 op het kerkhof bij het open graf, bestemd voor het stoffelijk overschot van Roelof Frederiks Lelia. Waarschijnlijk hebben de meesten van de aanwezigen bij de open groeve niet geweten dat hier de laatste naamdrager van een oud Fries boerengeslacht aan Moeder Aarde zou worden toevertrouwd. Boerderij Groot Folta Oorspronkelijk kwam de familie Lelia van Ternaard. Wijbe Rinderts en zijn vrouw Aaltje Douwes woonden daar rond 1760 op een van de twee Lelia-states die Ternaard rijk was en waarvan ook de familienaam Lelia is afgeleid. Wijbe en Aaltje kregen zes kinderen, waaronder Rindert die geboren werd in 1765. Hij trouwde op 12 augustus 1792 in Ternaard met Antje Roelofs Olivier, een dochter van de landbouwer Roelof Laurens Olivier en Antje Jans van der Meij uit Holwerd. Rindert en Antje bleven tot 1800 op Lelia-state wonen waar vier van hun kinderen werden geboren. Daarna is het gezin verhuisd naar een boerderij onder Marrum aan de Heerenweg. Die boerderij kreeg ook de naam Lelia-state. Hier werden nog drie kinderen geboren. Eén van de kinderen heette Roelof Rinderts en werd geboren op 29 augustus 1802. Hij trouwde op 22 september 1831 met Anna Roelofs Gillis die op 21 november 1809 in Blija was geboren. Anna was een dochter van de heel- en vroedmeester Frederik Gilles en zijn tweede echtgenote van Remekjen Klases Duijff. Bij het huwelijk vestigde het echtpaar zich in Marrum, maar verhuisde vóór 1838 naar Minnertsga. Zij gingen wonen op de boerderij Groot Folta aan de Hearewei 25. In Marrum hadden Roelof en Anna al een kind gekregen, dochter Riemkje geboren in 1832. In Minnertsga werden nog zes kinderen geboren: Antje, Aaltje, Frederik Roelofs, Lambertus, Roelof en nog een Antje omdat de eerste slechts vier jaar is geworden. Op 19 april 1851 hield Roelof Rinderts boelgoed op zijn boerderij. De hele boereninventaris werd openbaar verkocht. De opbrengst was fl. 2.408,00 (gulden). Wat de reden is geweest van het beëindigen van het boerenbestaan, is niet duidelijk. De boerderij was eigendom van het St. Anthony-gasthuis in Leeuwarden die de boerderij verpachten voor een bepaalde periode. Het kan zijn dat Roelof Rinderts niet in aanmerking kwam voor een nieuwe pachtperiode en daarom is verzocht om de boerderij te verlaten. Mogelijk dat hij dat zag aankomen, want op 2 oktober 1850 heeft hij - Roelof Rinderts is dan 48 jaar – de herberg gekocht die aan de toenmalige Langestreek stond. De verkopers waren Jan Dirks van der Weide en zijn vrouw Marijke Klazes Dijkstra. De koopsom was fl. 3.500,00 (gulden). De koopakte werd bij notaris Pieter Lolles Steensma gepasseerd en Roelof Rinderts en Anna Roelofs waren vanaf dat moment de uitbaters van de herberg. Het pand van Schotanus toen de bovenverdieping nog niet was verbouwd. De Langestreek was vroeger wat nu Meinardswei is. Deze herberg was de voorloper van de herenconfectiezaak van de fa. Schotanus en café-snackbar ’t Centrum. De herberg werd bij de koop omschreven als ‘ene sterke huizinge [...]

19 03, 2016

Van Dijk’s Bazar

2016-03-19T14:14:31+00:0019 maart 2016|0 Reacties

Aan het hoge statige pand aan de Meinardswei van Van Dijk’s Bazar hebben nog veel (oud) Minnertsgaasters goede herinneringen. Vooral ook aan de eigenaren frou Van Dijk en haar zoon Gerrit zullen velen nog herinneringen hebben. Je was altijd welkom, tenminste zo voelde ik dat als kleine jongen als ik voor mijn moeder het flesje van de Au de Cologne 4711 moest laten vullen. Gerrit pompte dan met een rode knijpbal met slang het bekende reukwater in een bepaalde hoeveelheid uit de grote fles naar boven in het maatglas. Daarna liet hij het reukwater door een piepklein trechtertje in het lege flesje lopen wat ik van mijn moeder had meegekregen. Afrekenen en dan trots naar huis lopen omdat je helemaal alleen om boodschap bent geweest. In het portaal IJnze en Trijntje in 1938. In het voorjaar van 1938 was IJnze Willem van Dijk, boerenzoon van Walpertertille bij Wommels, is timmerknecht bij het timmerbedrijf van Goslinga. Trijntje Sipkes is verkoopster bij het winkelbedrijf van de Firma wed. J. Rudolphy & Zonen te Gorredijk. Ynze en Trijntje hebben elkaar leren kennen en hadden het plan opgevat om voor zichzelf te beginnen met een timmerbedrijf. In datzelfde voorjaar hebben ze een timmerbedrijf bezichtigd in Bergum dat te huur was. Maar het niet zover gekomen dat zij zich in Bergum vestigden want in Minnertsga stond het winkelpand van de weduwe Froukje Tuinhof-Wouwenaar (1877-1951) aan de toenmalige Voorstraat (nu Meinardswei). IJnze en Trijntje waren op de fiets naar Minnertsga gekomen om het winkelpand te bezichtigen. Hun zwager H. Rudolphy was met de auto vanuit Gorredijk naar Minnertsga gekomen om te bemiddelen in de overname. Die overname liet niet lang op zich wachten want in de Leeuwarder courant van 16 maart 1938 staat te lezen: “Dankend voor ’t vertrouwen, dat zij gedurende een lange reeks van jaren heeft genoten, deelt ondergekeekende mede, dat zij vanaf heden haar WINKLEZAAK heeft overgedragen aan den heer IJ. W. van Dijk en dezen ten zeerste aanbeveelt. Wed. J. Tuinhof”. IJnze en Trijntje laten in diezelfde krant weten: “In aansluiting met bovenstaande advertentie heeft ondergeteekende hiermee kennis aan het geachte publiek van Minnertsga en omgeving, dat hij vanaf heden de zaak in Galanterieën, glas- en aardewerk, annex kruidenierswaren en klompen, met ingang van heden heeft overgenomen van mej. De wed. J. Tuinhof. Hij houdt zich beleefd aanbevolen voor levering van bovengenoemde artikelen en hoopt door een nette bediening zich aller vertrouwen waardig te maken. Minnertsga, 15 maart 1938. IJ. W. van Dijk”. Hoewel de weduwe Tuinhof de zaak had overgedragen, bleef zij nog wel hand en spandiensten verrichten in de winkel. Bij IJnze en Trijntje werd in 1939 hun zoon Gerrit IJnze geboren. Gerrit leerde het vak van timmerman en slaagde in 1957 voor zijn examen. Hij kwam vervolgens in dienst bij Roel Bloembergen. Op 27 april van dat jaar overleed plotseling de vader van Gerrit. Zijn moeder kwam alleen te staan om de winkel in bedrijf te houden, maar die kon dat niet alleen. Daarom kwam Gerrit in [...]

20 02, 2016

Melkhandel en SRV-wagen Stallinga

2016-02-20T15:44:46+00:0020 februari 2016|0 Reacties

In 1957 nam Jan Stallinga, samen met zijn echtgenoot Grietje Stellingwerf, de melkhandel over van zijn schoonouders Hein Stellingwerf en Klaaske Spoelstra. Zij woonden toen allemaal in het pand aan de Lytse Buorren 8. In de jaren daarvoor hielpen Jan en Grietje al mee in de melkhandel van Hein Stellingwerf. Ook Hein zijn broer Anne hielp toen mee. Hein Stellingwerf en Jan Stallinga met Klaske Anneke. Hein Stellingwerf is rond 1900 met de melkhandel begonnen, daarvoor had hij een groentehandel. Zij brachten de melk langs bij de mensen thuis; eerst met een hondenkar en later met een skokarre. De skokarre werd later vervangen door een zwarte T-Ford. Met dit gemotoriseerde vervoer werd niet alleen meer melk uitgevent, maar werd het assortiment uitgebreid met karnemelk, yoghurt en sûppengrottenbrij.   De T-Ford werd later opgevolgd door een zogenaamde Elektrische-hond. Dat was een open kar met twee wielen achter en een voor. Dat ene voorste wiel werd aangedreven door een elektrische motor met een grote accu. Later werd deze kar voorzien van schuifdeuren om de zuivelproducten te beschermen. Die zuivelproducten zaten in grote stalen melkbussen. Pas later kwamen de flessen en pakken. In 1966 had Jan Stallinga de primeur met de eerste rijdende zelfbedieningswinkel in Friesland. Burgemeester De Roos van de toenmalige gemeente Barradeel verrichtte de feestelijke opening van de Govatruck. Het assortiment bestond inmiddels niet alleen meer uit zuivelproducten, maar ook andere levensmiddelen waren in de wagen verkrijgbaar zoals jam, koekjes, snoepjes, koffie, thee, bier en frisdrank. Later is hieruit de zogenaamde SRV-wagen voortgekomen, opgericht door de vereniging van zelfstandige melkhandelaren. In 1968 is het pand aan de Lytse Buorren verbouwd. Er werd een etage bovenop gebouwd voor het inmiddels vijf kinderen tellende gezin. Achter het huis werd een loods neergezet om de rijdende winkel onderdak te bieden. Ook werd deze loods gebruikt voor de opslag van de goederen, die gedeeltelijk in de koelcel werden geplaatst. Hoewel er geen winkel was, kwamen er toch ook veel klanten aan de deur bij Griet. Jan en Griet Stallinga hebben 20 jaar een bloeiende zaak gehad. De eerste rijdende winkel, een Govatruck, werd opgevolgd door een grotere, een Speykstael. Griet en Jan hebben de zaak altijd gerund zonder personeel. Ook de kinderen droegen hun steentje bij. Een echt familiebedrijf.                   Met dank aan dochter Henny Rondaan-Stallinga en Dooitze Zwart.

31 01, 2016

Reitsma – huishoudelijke artikelen en rijwielhandel

2016-01-31T07:18:25+00:0031 januari 2016|0 Reacties

Johannes Reitsma is als fietsenmaker begonnen in het pand van de familie Hiddema aan de Tilledyk 1 (later J.E. de Vries). Samen met zijn vrouw Joukje woonde en werkte hij hier ongeveer 2 jaar. In 1954 kwam het pand aan de Tsjillen 4 vrij. In dit pand had Wiebe bij de Leij eerst een meubelmakerij. Johannes en Joukje verhuisden hierheen en openden een winkel met huishoudelijke artikelen en fietsen. De winkel was toen niet zo groot. Naast de zaak was een werkplaats met verkoopruimte waar Johannes fietsen verkocht en repareerde. Omstreeks 1964 bleek dat de winkel te klein werd. Boven de winkel was een grote zolder, waar eigenlijk niet veel mee werd gedaan. Ze verbouwden het pand en maakten van de zolder een woonruimte zodat het gezin (ouders en vier kinderen) hier konden wonen en de winkel kon worden uitgebreid. De nieuwe fietsen werden achter in de zaak geplaatst en het speelgoed met huishoudelijke artikelen in het andere gedeelte. Rond 1974 was de winkel weer aan een verbouwing toe. De houten vloer zakte op bepaalde plaatsen door zodat alles werd leeggehaald en gesloopt. Er werd beton gestort. Ook werd door het hele pand centrale verwarming aangelegd. Dit was al met al een hele verbetering. Johannes Reitsma op een middenstandsbeurs ’s Winters werden er schaatsen verkocht. Later ook nog vuurwerk maar dat vonden ze heel erg moeilijk. Ook werkten ze mee aan de middenstandbeurzen, die werden georganiseerd in de Boppeslach, en aan de vele Sinterklaasacties. Ze hadden geen personeel maar Tine Tuinhof hielp en vaak in drukke tijden en in de decembermaand. Ook stond hun dochter Trix wel in de winkel. Toen Johannes 58 jaar was is hij in de sanering gegaan, wat inhield dat het pand niet meer gebruikt mocht worden voor zakelijke doeleinden. Dit vond plaats in 1981. Na ongeveer 30 jaar middenstander te zijn geweest brak voor de familie Reitsma eindelijk een rustige periode aan. Het winkelpand is vervolgens weer verbouwd tot woonhuis.     Met dank aan Dooitze Zwart die die verhaal kreeg van de dochter van Johannes en Joukje Rietsma.

9 01, 2016

Sigarenmagazijn Redmer de Roos (Stasjonsstrjitte 1)

2016-01-09T16:36:52+00:009 januari 2016|0 Reacties

Roken kent natuurlijk een eeuwenlange geschiedenis, maar pas na de Eerste Wereldoorlog raakte roken volledig ingeburgerd. Dat kwam door de uitgebreide reclamecampagnes van de producenten van rookwaren. Het werd een algemene gewoonte en roken was overal toegestaan. Er waren zelfs dokters en tandartsen die roken aanraadden. De jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw werden de hoogtijdagen van de tabaksindustrie. In die periode rookte zestig procent van de volwassen bevolking. Dat was ook de tijd dat er in Minnertsga bijna op elke hoek van de straat wel een verkooppunt was van rookwaren zoals sigaretten, sigaren en pijptabak. Een van die verkooppunten was gevestigd op de Stasjonstrjitte nummer 1. Hier had Redmer de Roos en Jeltje Meersma een winkeltje in rookwaren. Dergelijke verkooppunten werden meestal sigarenmagazijnen genoemd. In het boek over de Middenstand en ondernemers in Minnertsga dat door Dooitze Zwart is gemaakt, staat onderstaand verhaal in van de dochter Sippie. ‘Mijn vader Redmer de Roos en moeder Jeltje Meersma, zijn zelf de winkel begonnen. Er werd een kamertje aan de voorkant van het huis ingericht als winkel. Dit betekende: een etalage maken, stellingen bouwen en een schuifdeur erin. Ook werd er een kachel in geplaatst, die in de winter en zomer doorbrandde want sigaren moeten goed droog zijn en blijven. Verder kwam er een echt oud kabinet in. In de bovenkant van het kabinet stonden doosjes kleine en grote sigaren en in de laden zat de tabak, shag, rook- en pruimtabak. De sigaretten stonden in een grote doos op een tafeltje. De kassa was een lade van het kabinet. Wel stonden er 2 stoelen in de winkel voor diegene die even wilde of moest zitten. Tegenwoordig vergeet men dit vaak voor de ouderen. Vader had wel diploma’s maar werkte verder op het land en moeder was altijd thuis voor de winkel. Op zaterdagochtend ging mijn vader op de fiets en later op de brommer bij de boeren in de omtrek langs met een koffer met kistjes sigaren om deze te verkopen. Op zaterdagmiddag kwamen er ook nog wel mannen langs voor de gezelligheid, waarbij ze dan met vader een sigaartje rookten.       Ik denk dat het rond 1934 was dat ze gestart zijn met de winkel. In de oorlog was ook de rokerij op de bon en stonden ze soms in de rij als de bonnen uitkwamen bijvoorbeeld voor een half pakje shag. Ook herinner ik mij nog de tijd van de winkelsluiting om 7 uur. Dan stond politieman Oppewal (en ik meen soms Van der Sluis) achter de schuur tegenover ons om te zien of er om één minuut over zevenen nog iemand de deur uitkwam. Dan kreeg men een proces-verbaal (echt gebeurd). Het was een moeilijke tijd. Er waren in die tijd 16 in Minnertsga, die rokerij verkochten. Dan is de spoeling wel dun. Wij waren in Minnertsga wel de enige winkel, die uitsluitend alleen rokerij verkochten. Daar mijn moeder Jeltje in januari 1960 is overleden en mijn vader een tijd alleen was, is hij [...]

Ga naar de bovenkant