24 04, 2026

Ferniawei 10 – ook een pand met geschiedenis

2026-04-24T14:20:37+00:0024 april 2026|0 Reacties

De aanleiding voor dit onderzoek was een ogenschijnlijk eenvoudige vraag die tijdens een open inloopdag in het dorpsarchief werd gesteld: wat is er bekend over de geschiedenis van het woonhuis aan de Ferniawei 10? Voor de werkgroep Minnertsga Vroeger vormde dit het begin van een zoektocht in de openbare archieven – een zoektocht die al snel verrassend veel opleverde. Het pand vlak voor het pand met uitstaand zonnescherm is Ferniawei 10.  Wanneer het huidige pand wordt vergeleken met de kadastrale kaart uit 1832, valt direct op dat het huis er toen heel anders uitzag. In de loop van de negentiende en twintigste eeuw moet het dus ingrijpend zijn verbouwd. Mogelijk is het zelfs geheel herbouwd. Vanaf 1832 laat de geschiedenis van het perceel zich redelijk goed reconstrueren. Voor de periode daarvoor ontbreken betrouwbare bronnen, waardoor dit jaar een logisch beginpunt vormt. In dat jaar staat het huis geregistreerd op naam van Nanne Jacobs, die in 1811 de achternaam Elgersma aannam. Hij was gehuwd met Japke Gerlofs, die in latere archiefstukken eveneens onder deze naam voorkomt. Het echtpaar kreeg twee kinderen: Jacob en Antje. Over Jacob is weinig bekend; vermoedelijk is hij jong overleden. Dochter Antje trouwde met gardenier Jelle Harmens Walda. In oktober 1830 kwam het huis volledig op hun naam te staan. Antjes moeder was toen na het overlijden van haar man hertrouwd en woonde in de omgeving van Leeuwarden, waar zij in 1831 overleed. Antje en Jelle woonden op dat moment al enige tijd op het Westeinde, later Ferniawei genoemd. Na het overlijden van Jelle in januari 1854 werd het huis, namens Antje en haar kinderen, openbaar verkocht. Voor een bedrag van 1.131 gulden kwam het in handen van landbouwer Paulus Seerp Anema. Het pand bleef vervolgens jarenlang in bezit van de familie Anema. Een belangrijke gebeurtenis vond plaats op zaterdagavond 21 november 1885. In het café van kastelein Aebe Stienstra – destijds bekend als Café Hermana – werd een openbare verkoop gehouden onder leiding van notaris Siemon Mossel uit Sint Jacobiparochie. Het betrof een burgerwoning met bleekveld, tuin, erf en vrije steeg aan de westzijde van Minnertsga. De veiling werd geleid door dorpsomroeper Lolle Pieters Steensma, die met luide stem de biedingen begeleidde. Opmerkelijk genoeg bracht hij zelf ook een bod uit. Hij deed dit echter namens winkelier Douwe Steinfort, die met een bod van 1.632 gulden de nieuwe eigenaar werd. Bij deze verkoop kwam bovendien een bijzonder detail aan het licht. Een klein stuk grond achter het huis bleek in het verleden zonder officiële akte te zijn overgedragen en stond kadastraal nog op naam van een eerdere eigenaar. Omdat dit perceel formeel bij de verkoop werd betrokken, verkreeg Steinfort ook dit stukje grond – een onverwachte meevaller. Lang bleef het pand niet in zijn bezit, want al een jaar later werd het opnieuw verkocht. Bakker Pabe Bruinsma werd toen de hoogste bieder met 1.800 gulden. In 1899 kwam het huis in handen van meesterkleermaker [...]

9 01, 2016

Sigarenmagazijn Redmer de Roos (Stasjonsstrjitte 1)

2016-01-09T16:36:52+00:009 januari 2016|0 Reacties

Roken kent natuurlijk een eeuwenlange geschiedenis, maar pas na de Eerste Wereldoorlog raakte roken volledig ingeburgerd. Dat kwam door de uitgebreide reclamecampagnes van de producenten van rookwaren. Het werd een algemene gewoonte en roken was overal toegestaan. Er waren zelfs dokters en tandartsen die roken aanraadden. De jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw werden de hoogtijdagen van de tabaksindustrie. In die periode rookte zestig procent van de volwassen bevolking. Dat was ook de tijd dat er in Minnertsga bijna op elke hoek van de straat wel een verkooppunt was van rookwaren zoals sigaretten, sigaren en pijptabak. Een van die verkooppunten was gevestigd op de Stasjonstrjitte nummer 1. Hier had Redmer de Roos en Jeltje Meersma een winkeltje in rookwaren. Dergelijke verkooppunten werden meestal sigarenmagazijnen genoemd. In het boek over de Middenstand en ondernemers in Minnertsga dat door Dooitze Zwart is gemaakt, staat onderstaand verhaal in van de dochter Sippie. ‘Mijn vader Redmer de Roos en moeder Jeltje Meersma, zijn zelf de winkel begonnen. Er werd een kamertje aan de voorkant van het huis ingericht als winkel. Dit betekende: een etalage maken, stellingen bouwen en een schuifdeur erin. Ook werd er een kachel in geplaatst, die in de winter en zomer doorbrandde want sigaren moeten goed droog zijn en blijven. Verder kwam er een echt oud kabinet in. In de bovenkant van het kabinet stonden doosjes kleine en grote sigaren en in de laden zat de tabak, shag, rook- en pruimtabak. De sigaretten stonden in een grote doos op een tafeltje. De kassa was een lade van het kabinet. Wel stonden er 2 stoelen in de winkel voor diegene die even wilde of moest zitten. Tegenwoordig vergeet men dit vaak voor de ouderen. Vader had wel diploma’s maar werkte verder op het land en moeder was altijd thuis voor de winkel. Op zaterdagochtend ging mijn vader op de fiets en later op de brommer bij de boeren in de omtrek langs met een koffer met kistjes sigaren om deze te verkopen. Op zaterdagmiddag kwamen er ook nog wel mannen langs voor de gezelligheid, waarbij ze dan met vader een sigaartje rookten.       Ik denk dat het rond 1934 was dat ze gestart zijn met de winkel. In de oorlog was ook de rokerij op de bon en stonden ze soms in de rij als de bonnen uitkwamen bijvoorbeeld voor een half pakje shag. Ook herinner ik mij nog de tijd van de winkelsluiting om 7 uur. Dan stond politieman Oppewal (en ik meen soms Van der Sluis) achter de schuur tegenover ons om te zien of er om één minuut over zevenen nog iemand de deur uitkwam. Dan kreeg men een proces-verbaal (echt gebeurd). Het was een moeilijke tijd. Er waren in die tijd 16 in Minnertsga, die rokerij verkochten. Dan is de spoeling wel dun. Wij waren in Minnertsga wel de enige winkel, die uitsluitend alleen rokerij verkochten. Daar mijn moeder Jeltje in januari 1960 is overleden en mijn vader een tijd alleen was, is hij [...]

26 04, 2015

Oorlogsjaren op de Miedleane (deel II)

2024-02-01T05:42:58+00:0026 april 2015|5 Reacties

Jelle Feenstra heeft een verhaal geschreven over de oorlogsjaren op de Miedleane, in de volksmond bekend als de 'Boomsma's' Mieden. Dit is het vervolg op deel I van Jelle zijn verhaal.   Johanna en Ynskje Boomsma met de hond Max Waren het in de begin jaren alleen de Joden die onder doken later kwamen daar steeds vaker mannen tussen de 18 en 40 jaar bij die opgeroepen waren voor de Arbeitseinsatz (dwangarbeid) in Duitsland. Die waren nodig omdat de Duitse mannen aan het front vochten. Velen van hen weigerden dit en doken onder. Verder waren er nog veel onderduikers die deel hadden genomen aan de April-Mei stakingen en aan de spoorwegstaking eind september 1944. Het geschatte aantal onderduikers moet eind 1944 ongeveer 350.000 zijn geweest. Ook bij Dirk en Tjerkje Boomsma vonden steeds meer onderduikers onderdak. Het huis lag afgelegen aan het Ald Meer en de Duitsers moesten eerst ongeveer drie honderd meter over de kale landweg gaan om de woning te bereiken. Het was een ideale plek voor onderduikers. Naast hun eigen zoon Gijsbert Boomsma waren dat Wieger Terpstra, Jan Boomsma, Geert Leemburg, Johannes Boersma en Marten Reitsma. Wieger Terpstra was een zoon van Willem en Annigje Terpstra en dus een neef evenals Jan Boomsma, een zoon van Willen en Japke Boomsma. Geert Leemburg was afkomstig uit Beetgum. Marten Reitsma kwam uit Wier en Johannes Boersma uit Berlikum. Wieger Terpstra verbleef overigens niet permanent bij mijn grootouders maar wanneer er weer razzia’s dreigden plaats te vinden, dook hij daar onder. Wieger was als oudste zoon opgeroepen voor de “Arbeitseinsatz”.  Geert Leemburg, Johannes Boersma en Marten Reitsma kwamen weer op een heel andere manier bij mijn grootouders terecht. Johannes Boomsma met de hond Max In die tijd, en ook later nog, stonden er een aantal schuilhutten op het land. Het waren vaak kleine hutten van hout of in een enkel geval van steen die gebruikt werden om te schuilen tegen de regen wanneer men op het land werkzaam was. Het was mijn grootvader wel eens opgevallen dat hij meende stemmen te horen uit een van deze hutten aan de overkant van het “Ald Meer” maar had daar verder weinig aandacht aan geschonken. Op een dag werd er echter nogal luidruchtig gesproken en kreeg hij het idee dat er onderling ook sprake van irritatie was. Waarschijnlijk hebben zij zich niet gerealiseerd dat hun stemmen over het water veel verder hoorbaar waren dan over land maar het was op afstand duidelijk hoorbaar. Dirk Boomsma is toen met zijn praam, veel vervoer vond immers over water plaats in die dagen, naar de hut gegaan en kwam al gauw achter de oorzaak van hun irritatie. Door de regenval was er geen droge plek meer in de hut te vinden en was als schuilplaats ongeschikt geworden. Hij heeft de drie mannen toen mee naar huis genomen en daar ondergebracht.Ook Dr. Stevens, die als assistent bij Gramsbergen aanwezig was, bleef regelmatig overnachten om uit handen van de Duitsers te blijven. Aan aardappelen [...]

Ga naar de bovenkant