In het boek Net fergjitte . . . Niet fergete, staan verhalen over de Tweede Wereldoorlog die opgetekend zijn door schrijvers Andries Bosma en Harrie Dijkstra. De verhalen en gebeurtenissen spelen zich af in de gemeente Menaldumadeel en Het Bildt. Een van die verhalen mag op deze website Minnertsga vroeger niet ontbreken. Daarom is contact gezocht met de uitgever die geen bezwaar had op publicatie. Het boek is al zo oud dat de rechten niet meer bij de uitgever liggen. Adressen van de auteurs zijn niet meer bekend en waren (tot nu toe) niet te achterhalen. Als die bij u als lezer wel bekend zijn of dat u nadere informatie heeft over de auteurs, dan kun u dat laten weten via het contactformulier van deze website.

Sipke Zoodsma (1921-2010) en Gerritje Eke Faber (1924-2014)

Sipke Zoodsma (1921-2010) uit Minnertsga werkt als knecht op de boerderij van zijn oom wanneer de oorlog begint. Onopzettelijk raakt hij betrokken bij illegale activiteiten. Hij helpt mee om een neergestorte Engelse piloot uit handen van de vijand te houden door hem naar het havengebied in Harlingen te brengen.

Gezien zijn leeftijd moet ook Sipke zich verstoppen om te ontkomen aan de verplichte en verfoeide arbeidsinzet. Op een hooizolder is ergens achteraan van karton een kamertje gemaakt, waarin Sipke met een latere zwager en een neef slapen en zich zonodig verstoppen. Zo ook op een avond in december 1944. Duitsers komen het erf op. Het drietal maakt zich uit de voeten en kruipt weg in het kamertje onder het hooi. Onmiddellijk lopen de Vijanden naar de plek waar nog geen minuut geleden de ladder stond. Op de hooizolder geklommen speuren ze net zo lang tot ze de onderduikers vinden. Vervolgens gaan ze op de zolder van het woonhuis zoeken naar een verstopte radio, die tamelijk snel wordt gevonden. Omdat de Duitsers weten waar ze moeten zoeken, is het voor Sipke duidelijk een zaak van verraad geweest. Hij heeft een sterk vermoeden welke mensen de boel hebben verraden, maar hij heeft het nooit gezegd en zal dat ook niet doen. In de eerste plaats heeft hij alleen maar vermoedens en bovendien zijn de personen in kwestie reeds overleden.

In de ‘pôletax’, een luxeauto getrokken door twee paarden, worden de gesnapte mannen afgevoerd naar de marechausseekazerne in Sint Annaparochie. Ze worden met z’n tienen in een eenpersoons cel gestopt. De volgende dag worden ze per paard en wagen van de firma Bijlsma via de Súdhoek naar Leeuwarden gebracht. Wanneer Johannes Bijlsma iets langzamer gaat rijden, probeert Zoodsma te vluchten. Maar als een kwartet Duitse geweren in zijn richting schiet volgt hij het bevel op om te blijven staan. De consequentie is dat iedereen in het Huis van Bewaring opgesloten wordt, maar Sipke voor een verhoor naar de Sicherheits Dienst moet die op het Zaailand huis houdt. Hij wordt in een ‘zweethokje’ gestopt en eerst na lange tijd voorgeleid. Vragen over onderduikers en radio’s beantwoordt Sipke schouderophalend om duidelijk te maken dat

Marechaussee kazerne St. Annaparochie (1938)

hij zijn ondervragers niet ‘verstaat’. Zijn onnozelheid heeft tot gevolg dat hij meerdere keren die dag op hardhandige Wijze weer in het ‘zweethokje’ verdwijnt. Aan het eind van die dag wordt hij naar de gevangenis teruggebracht. Twee dagen later vindt daar de bekende overval plaats. Uit de cel waarin Sipke zit, worden dokter Renema en ene Van der Wal bevrijd. De woedende Duitsers halen enige dagen later willekeurig 150 man uit het Huis van Bewaring en zetten deze op de trein met als eindbestemming Hannover. Zoodsma is een van hen. Na een dag op het station in Leer te hebben gestaan, wordt het einddoel bereikt: het strafkamp Ahlem. Daar ziet hij met eigen ogen dat de Joden een beestachtíge behandeling moeten ondergaan. ‘Bij het naderen van de bevrijding steken de Duitsers de barakken met daarin doodzieke Joden ook nog in de brand.’ Ook zijn er Russen en Belgen, die het relatief beter hebben.

Johanna en Ineke Bruinsma, twee euacuées uit Beverwijk, poseren voor de ‘pôletax’, getrokken door Jonker en Nellie. Eigenaar Jan Jacob Zoodsma werd door de Duitsers gedwongen om in december 1944 gearresteerde onderduikers, onder wie Jappie en Sípke Zoodsma, naar de marechausseekazerne in St. Annaparochie te brengen.

Hoeveel een mensenleven in het kamp waard is, blijkt uit wat Sipke vertelt over het appèl: ‘Zo nu en dan heeft de kampcommandant behoefte voor de Russen langs te paraderen. Hij blijft voor een willekeurige Rus stilstaan en deze wordt dan geacht te knielen. Bij weigering wordt het slachtoffer ter plekke doodgeschoten.’ Zoodsma heeft Vele Russen zien weigeren te knielen. Naast deze onmenselijke nazibeulen leert Sipke een goede Duitser kennen; de SS-er Hermann Knoll. Knoll, afgekeurd voor actieve militaire dienst omdat hij getroffen is door een granaatscherf in zijn hoofd, is hun bewaker. Sipke en zijn maten moeten buiten het kamp een afvoersysteem voor de keuken aanleggen. Uit het gezichtsveld van zijn superieuren deelt Hermann het weinige dat hij heeft. Zijn sigaret gaat van lip naar lip en zijn stuk koek wordt verdeeld in blokjes.

Als Sipke gepakt is bij een nachtelijke tocht buiten het kamp worden hij en zijn maten voorgeleid teneinde gestraft te worden. Maat Minne Huizinga is tot bloedens toe mishandeld en dan is het de beurt aan Sipke. Als hij, bijna naakt, voor zijn beulen staat stormt Knoll naar binnen en brult dat als Sipke kapot geslagen wordt het werk nooit op tijd klaar komt. Sipke is immers de expert, die geen dag gemist kan worden. Een mondelinge berisping is het resultaat. Het is ook Knoll die Sipke’s ploeg adviseert geen gebruik te maken van de latrines in het kamp, maar hun uitwerpselen in de sneeuw buiten het kamp te deponeren. Dankzij dit advies krijgt niemand van Sipke’s ploeg de gevreesde ziekte dysenterie.

Ook zorgt Knoll voor het toedienen van een of ander ‘drupke yn ’e nekke’ opdat de mannen geen luizen krijgen. Deze goede Duitser, wiens huis al drie keer is gebombardeerd, kan als hij ’s avonds een kwartier voor het einde van de werkdag naar huis vertrekt een uur wachten op een bus (met houtgasgenerator) uitsparen. Op voorspraak van Sipke beloven de 24 man dat ze het laatste kwartier van de werkdag zonder zijn toezicht zullen doorwerken en teruggaan naar het kamp, waar ze binnengelaten worden door een bewaker die ook in het complot zit.

Hoewel de Nederlandse gevangenen voor de nazi’s dichter bij het ‘edel Germaanse ras’ staan, is dat aan het leven in dit kamp niet zo te merken. En dan te bedenken dat Joden en Russen het nog slechter hebben. Omdat de gevangenen liever sterven door een kogel dan door de honger, gaan ze het kamp uit wanneer er luchtalarm is. Al bij het eerste vooralarm verdwijnen de Duitsers in hun schuilkelders en vertrekken Sipke en een paar maten naar een adresje in de nabije omgeving, waar ze dankzij een relatie van Hermann Knoll wat extra voedsel kunnen nuttigen.

Maar de bevrijding komt. Hannover ligt drie dagen onder zwaar artillerievuur van de Canadezen. Het kamp ligt precies binnen het schootsveld. De kogels van de berijders richten heel wat schade aan. De Duitsers voeren de nog levende Joden af op twee wagens met trekker om ze toch nog te vergassen. Ze komen niet terug om de overige kampbewoners te evacueren. Als een gevangene, die op uitkijk staat, roept dat de bevrijders er zijn, wordt hij niet geloofd, tot hij een Engelse sigaret laat zien. Kampcommandant Schäfîr loopt met een witte vlag naar de poort, maar voor hij die kan openen storten de nog levende Russen zich op hem en verscheuren met hun blote handen deze duivelse sadist.

Uiteindelijk belandt Zoodsma na veel lopen en meerijden op wagens terug in het vaderland. De wereld op zijn kop: verraden door een dorpsgenoot, gered door een SS-er. Thuisgekomen is één van de eerste dingen die Sipke doet, samen met Aalders uit Leeuwarden, een bezoek brengen aan de ouders van Jelle Riemersma, de enige zoon van een bakker. Jelle heeft het niet overleefd en is door z’n ploeggenoten begraven. Jelle’s ouders zijn blij dat de wurgende onzekerheid voorbij is, ook al is hun zoon niet levend teruggekeerd.

 

Bron: Net ferjitte . . . Niet fergete; Menaldumadeel en het Bildt in de jaren 1940-1945. Door Andries Bosma en Harrie Dijkstra. Uitgeverij Van Wijnen, Franeker (1995)

Foto’s: Jan Zoodsma (Minnertsga), familie Zoodsma (Drachten), Bildts Documentatiecentrum